François Crépin en de Studie van Wilde Rozen

Haarklievers en samenvoegers

Rozen hebben vanouds ook de aandacht getrokken van botanici. De dikwijls grote variatie binnen elke afzonderlijke soort en de vage grenzen tussen de soorten onderling hadden tot gevolg dat de Zweed Carolus Linnaeus (1707-1778), de ontwerper van het moderne systeem om planten te benoemen, hun identiteit, verwantschappen en classificatie maar moeilijk doorgrondde.

In de 19e eeuw zocht een groeiend aantal Europese botanici naar oplossingen voor die vraagstukken. De meeste rhodologen – van het Griekse rhodon, roos – bestudeerden aanvankelijk vooral de soorten uit hun eigen omgeving, maar sommigen betrokken bij hun onderzoek rozen uit het hele natuurlijke verspreidingsgebied van het geslacht Rosa, dit wil zeggen uit het hele noordelijk halfrond.

De Europese onderzoekers ontdekten dat rozen inderdaad erg veel variatie kunnen vertonen, wat het benoemen en classificeren sterk bemoeilijkte. Voor het oplossen van het probleem volgden de plantkundigen twee tegenovergestelde denkpistes. De zogenaamde splitters interpreteerden de geringste variatie in het materiaal dat ze bestudeerden als een voldoende reden om aparte soorten te creëren. Dit leidde tot het beschrijven van duizenden nieuwe soorten. De lumpers daarentegen erkenden dat binnen een soort de individuele planten variëren en kleine verschillen vertonen. Zij waren niet geneigd om op grond daarvan nieuwe soorten te beschrijven. Wanneer lumpers orde probeerden te brengen in hun herbariumcollecties, concentreerden ze zich op het vinden van betekenisvolle gemeenschappelijke kenmerken in plaats van bijkomstige verschillen. Dit had tot gevolg dat ze veel minder soorten erkenden.