François Crépin en de Studie van Wilde Rozen

Verleid door Rosa

Aanvang jaren 1860 veranderde het leven van Crépin ingrijpend.

Het begon met de publicatie van zijn* Manuel de la Flore de Belgique* in 1860. Deze flora, die determinatiesleutels en korte beschrijvingen bevatte van alle in België in het wild gevonden plantensoorten, was het resultaat van zijn jarenlange botanische excursies. Het boek was een groot succes. Het beleefde vijf edities, werd talloze malen herdrukt en bleef tot midden de jaren 1930 de Belgische standaard flora voor zowel amateur floristen als academici.

In 1861 werd de autodidact botanist benoemd als leraar plantkunde in de staatstuinbouwschool in Gentbrugge. Wanneer in 1862 de Koninklijke Belgische Botanische Vereniging werd opgericht, trad Crépin onmiddellijk toe tot het bestuur. Samen met de voorzitter, Barthélemy Dumortier (1797-1878), was hij jarenlang de leidende en begeesterende figuur van de vereniging. In haar bulletin publiceerde Crépin bijdragen over de flora van België, waaruit een speciale belangstelling bleek voor plantengeografie en rozen.

In de loop van de jaren 1860, spitste Crépin de aandacht steeds meer toe op het genus Rosa.

In de tweede editie van zijn Manuel, uit 1866, was in de enigszins uitgebreide lijst van rozensoorten ook Rosa coronata opgenomen, een soort die voorkwam in de Belgische Ardennen en die door Crépin zelf was beschreven – of, zoals sommigen het liever uitdrukten: gecreëerd. Vrijwel zeker gestimuleerd door Dumortier, die in 1867 zelf een monografie van de Belgische rozen had gepubliceerd, besloot de levenslange vrijgezel Crépin dat het tijd was voor een echte uitdaging, namelijk het schrijven van een wereldmonografie van het geslacht Rosa.

Het was geen plotse bevlieging, integendeel: het idee was in zijn hoofd al jarenlang aan het gisten. Al in 1859 schreef hij in een brief aan Alexandre Boreau dat hij rekende op de steun van andere rozenfanaten om zijn Belgisch werkterrein uit te breiden tot de rozen van het hele Europese continent.

In 1869 publiceerde hij het eerste deel van Primitiae Monographiae Rosarum, een serie voorstudies met bouwstenen voor de constructie van zijn monografie, een project dat hij binnen een bestek van tien tot twaalf jaar hoopte rond te krijgen. In dat eerste deel vertelde Crépin zijn lezers ook dat hij inmiddels zijn weerstand tegen het ‘transformisme’ had opgegeven. Deze term werd in die dagen courant gebruikt om de processen te beschrijven waardoor planten- of diersoorten doorheen de geologische tijd heel geleidelijk veranderingen ondergaan. Crépin was tot de conclusie gekomen dat zijn speurtocht naar een natuurlijke classificatie van de rozen alleen kon slagen wanneer hij dit situeerde in een evolutionair raamwerk.