François Crépin en de Studie van Wilde Rozen

Het vergaren van collecties

Via zijn netwerk van correspondenten creëerde Crépin gaandeweg een onovertroffen rozenherbarium, dat hij later zou schenken aan de Rijksplantentuin.

Op het einde van zijn loopbaan omvatte dit herbarium meer dan 40.000 collectiestukken, met specimens die het hele natuurlijke verspreidingsareaal van het genus Rosa bestreken. Bovendien ontving hij in de loop van de jaren duizenden herbariumvellen in leen, afkomstig van privé-collecties en botanische instituten uit alle delen van de wereld.

Alles bij elkaar genomen, schatte hij dat hij in de loop van zijn carrière zowat 100.000 geleende collecties bestudeerd had, van commentaar voorzien en nadien teruggestuurd naar de verzamelaars en instituten, die zijn gezagsvolle notities op de etiketten naar waarde wisten te schatten. Ook werd Crépin gevraagd om materiaal bestemd voor exsiccatae te bekijken en van commentaar te voorzien vooraleer het verstuurd werd naar belangstellende onderzoekers en wetenschappelijke instellingen. Tot dit soort materiaal behoorden de collecties voor Herbarium Rosarum (uitgegeven door de Association rhodologique française, met als redacteurs de Franse botanisten Simon Pons en Hippolyte Coste) en de collecties van de Botanical Exchange Club of the British Isles. De inschrijvers ontvingen ook de bijbehorende brochures met kritische notities bij elk specimen in de collectie. Dikwijls werd de betreffende notitie als knipsel naast de gedroogde plant op het herbariumvel gekleefd.

Crépin had een sterke afkeer van speculatie. Hij gaf de voorkeur aan waarneming boven hypothese. Als overtuigd evolutionist, was hij er zich daarnaast van bewust dat inzicht in het geologische verleden noodzakelijk was om de verwantschappen tussen de huidige bestaande soorten en variëteiten te kunnen begrijpen, en om op grond daarvan een classificatie te construeren die de natuurlijke verwantschappen zou weerspiegelen.

Crépin maakte een onderscheid tussen ‘boeksoorten’ die gecreëerd en beschreven waren door fytografen – die zich bezighouden met het gedetailleerd beschrijven van planten – en natuurlijke soorten. Terwijl een boeksoort volgens Crépin een betwistbare schepping was van de menselijke geest, was een natuurlijke soort een werkelijk bestaande realiteit en niet louter een creatie van de menselijke geest. Met andere woorden: hij was een zogenaamde soortenrealist. Hij geloofde dat soorten essentieel verschillen van genera of variëteiten die hij immers, net als boeksoorten, beschouwde als constructies van de menselijke geest. Hier botste Crépin op de kernvraag waarmee hij zijn carrière lang worstelde: hoe definieer je en herken je een natuurlijke soort? En hoe voorkom je dat je een natuurlijke soort zou verwarren met een genus dat bestaat uit meerdere soorten of met een simpele variëteit die zich niet voldoende onderscheidt om er een volwaardige aparte soort van te maken?