François Crépin en de Studie van Wilde Rozen

De wereldmonografie van de rozen in de steigers

Aanvang jaren 1870 ruilde Crépin zijn lesopdracht in Gentbrugge in voor een baan in het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen (nu Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen), waar hij de fossiele flora van België zou bestuderen. Enkele jaren later werd hij benoemd als directeur van de Rijksplantentuin in Brussel (nu Plantentuin Meise). Die belangrijke stappen in zijn carrière leidden de rhodoloog echter geenszins af van zijn werk voor de monografie van het genus Rosa.

Het voorbereidende werk voor de monografie was veeleisend. In de 19e eeuw nam de belangstelling voor de plantkunde gestaag toe. De aanzwellende stroom publicaties en herbariumcollecties, aangevuld met talloze weetjes en inlichtingen die hij putte uit duizenden binnenkomende brieven, was voor Crépin een zegen én een uitdaging.

Naturalisten vonden in de veldbotanie een aantrekkelijke vrijetijdsbesteding en legden aanzienlijke privé herbaria aan. Vaak verzamelden ze op één vindplaats meerdere exemplaren van een plant, wat hen toeliet op grote schaal dubbels van hun collecties te ruilen. Sommigen boden hun waardevolle collecties te koop aan in de vorm van zogenaamde exsiccatae. Exsiccatae waren publicaties van gedroogde en correct op naam gebrachte planten, waarbij elk specimen van een soort in elk van de gepubliceerde volumes van de exsiccatae moest ingezameld zijn op eenzelfde locatie en op dezelfde datum. Gebruikt als referentiecollecties, waren deze gepubliceerde herbariumcollecties belangrijke hulpmiddelen in een tijd dat boeken met goede illustraties schaars waren en bovendien vaak heel duur. Dit laatste verklaart waarom Crépin soms zorgvuldig met potlood tekeningen kopieerde uit boeken die vrienden hem in bruikleen gaven.

Rosa rubella, François Crépin (tekenaar), Plantentuin Meise CC BY-SA Rosa rubella, James Sowerby (tekenaar), Plantentuin Meise CC BY-SA

Gebaseerd op de aangroeiende herbariumcollecties en op waarnemingen aan vers materiaal van gekweekte planten, nam het aantal nieuw beschreven plantensoorten – en met name rozen – van jaar tot jaar toe, vooral in Europa. Elke door de splitters nieuw beschreven roos moest de monograaf kritisch evalueren.

In Frankrijk erkende Pierre Déséglise, uitsluitend in de sectie Caninae, in 1877 niet minder dan 329 rozensoorten. Een andere Fransman, Jean Michel Gandoger, prees Crépin voor de manier waarop hij de grote lijnen van de classificatie van de rozen had vastgelegd, maar tegelijkertijd bekritiseerde hij in felle bewoordingen de inspanningen van de Belgische rhodoloog om het aantal rozensoorten sterk in te perken. Gandoger overschreed alle limieten door in 1881 niet minder dan 4.266 wilde soorten op te lijsten, alle afkomstig uit Europa, Noord-Afrika en het Oosten. Crépin had niets dan misprijzen voor dit soort ongebreidelde versnippering.

Ondanks al de verzamelactiviteit bleef de aangroei van collecties uit Azië en Amerika beperkt, wat Crépins werk voor de wereldmonografie bemoeilijkte en vertraagde.