Art Nouveau

Handel en gemeenschappen

Introductie

Tentoonstellingen waren van cruciaal belang voor de Art Nouveau, in het bijzonder de wereldtentoonstellingen – een “vorm van gekte van de 19° eeuw” volgens Gustave Flaubert. Artistieke kolonies schoten in Europa als paddenstoelen uit de grond, geïnspireerd door de Arts & Crafts-beweging. Organisaties die artiesten en designers een commercieel platform boden, waren onder andere de Wiener Werkstätte (vanaf 1903) in Oostenrijk, onder leiding van Joseph Hoffman en Koloman Moser en de Vereinigte Werkstätten für Kunst im Handwerk in München (vanaf 1897), waar Hermann Obrist, Richard Riemerschmid, Bruno Paul en Peter Behrens aan verbonden waren. Architecturale designers werden ook ingehuurd door bedrijven om een moderne inslag te geven aan de dagelijkse koopwaar. In Londen creëerde een belangrijke verkoper een van de namen die de Art Nouveau bekend maakten: Liberty-stijl.

Tentoonstellingen en beurzen

De Paris International-tentoonstelling was het hoogtepunt van de Art Nouveau en stelde Frankrijk voor als het middelpunt van de beweging. Miljoenen bezoekers en duizenden exposanten bezochten de beurs van 15 april tot 12 november 1900. Siegfried Bing, die de galerij Maison de L’Art Nouveau runde, toonde interieurs van Édouard Colonna, Georges de Feure en Eugène Gaillard. Loïe Fuller dwarrelde rond in haar eigen paviljoen, dat werd ontworpen door de Franse architect Henri Sauvage. De bezoekers arriveerden via de Parijse metro, waarvan de ingangen waren ontworpen door Hector Guimard. Het gewelfde Pavilion Bleu was van de hand van de Belgische architect Gustave Serrurier-Bovy. Voor de beurs van 1902 in Turijn verwerkte Raimondo D’Aronco secessie-, oosterse en byzantijnse elementen in het hoofdpaviljoen.

Verkoop en handel

De Londense winkel Liberty & Co (die van 1889 tot 1931 ook in Parijs actief was) was een van de meest succesvolle winkels van Art Nouveau voor welvarende, koopgrage klanten uit de middenklasse. Arthur Lasenby Liberty (1843-1917) opende zijn eerste winkel in 1875. Hij importeerde oosterse stoffen, keramiek en andere producten. Dankzij zijn continue uitbreiding werd Liberty een verkooppunt voor heel wat Art Nouveau-artiesten uit het Europese vasteland. Liberty bestelde ook stoffen, glas, juwelen, meubelen, zilver- en metaalwerk bij zijn eigen stal ontwerpers. De reeks producten van de Tudric en Cymric Celtic-revival, die door Archibald Knox en Rex Silver werden gemaakt (in die tijd waren ze anoniem) werden voorzien van email en materialen zoals turkoois en paarlemoer. Men kon een reeks producten in dezelfde stijl kopen, van klokken tot koekschaaltjes.

Artistieke kolonies en gemeenschappen

Groothertog Ernst Ludwig von Hessen, een kleinzoon van Koningin Victoria, was de patroon van de Darmstadt Artists’ Colony in Mathildenhöhe in Duitsland. De kolonie werd in 1889 opgericht en wilde kunst, architectuur en artisanale productie samenbrengen. Von Hessen nodigde zeven artiesten uit, onder andere Hans Christiansen, Joseph Maria Olbrich en Peter Behrens om een gemeenschap te vormen waarin zij konden werken, wonen en lesgeven. De meeste huizen werden gebouwd door Olbrich, maar kregen wel een individueel ontwerp. De huizen maakten deel uit van de eerste tentoonstelling in 1901, die uitmondde in een financieel verlies. Daarna vertrokken verschillende artiesten, onder andere Christiansen. Door de Eerste Wereldoorlog raakte Von Hessen gescheiden van zijn drie zussen in Rusland (hij was de broer van Tsarina Alexandra), hetgeen het einde van de onderneming betekende.